| beelden | tekeningen | foto's | film | opdrachten | TEKSTEN | cv | info@karolapezarro.nl | home |

karola pezarro

Karola Pezarro heeft als autonoom beeldend kunstenaar en werkend in opdracht, een dubbele verhouding met de ruimte om haar heen. Wanneer zij in opdracht van derden een beeld maakt voor een specifieke plek in de stad geeft zij het beeld een functie in de openbare ruimte waarmee omstanders een relatie kunnen aangaan. Het beeld wordt onderdeel van de omgeving. Anderzijds verzamelt zij sinds enige tijd meer intuïtief indrukken en beelden van de omgeving waar zij zelf woont en werkt. De foto’s vormen de basis voor het project De stad, ik en het beeld.

De openbare ruimte, dat kan een klein park in Dordrecht zijn of de stilte van een begraafplaats, maar ook het vlakke land langs de Hollandsche IJssel. In het Dordrechts park verscheen een heksenkring van terrazzo krukjes. Japanse snoepjes (1998), waarop de kinderen van Dordrecht mogen zitten, die zij mogen aanraken en waar omheen zij mogen rennen. Langs de Hollandsche IJssel staan op verschillende locaties banken en tafels, als tekens de ruimte afbakenend en respect afdwingend voor het water en de waterkant. De beelden zijn gemaakt van koper, messing of brons voor de amforen op de begraafplaats in Gouda, maar ook van moderne materialen zoals aluminium en staal.

Voor beide aspecten van haar werk geldt dat Pezarro zich laat inspireren door plekken en locaties waarmee zij gevoelsmatig een verhouding aangaat. De foto’s die zij op haar fietstochten door Den Haag verzamelt, beschouwt zij als een soort ‘getijdenboek’, een innerlijke route in de tijd. Die ‘innerlijke plattegrond’ loopt parallel aan de plattegrond van de stad of wordt daar overheen gelegd, zodat er een nieuwe persoonlijke geografie ontstaat. Conceptueel vertoont De stad, ik en het beeld daarin sterke gelijkenis met eerdere beelden, vertakte sculpturen die deden denken aan levend koraal, als metafoor voor fysieke wortels, uitwaaierende gedachten en een fascinatie voor de natuur.

Uit: HET ONDER-GEWONE 55 kunstenaars uit Den Haag, tekst door Veronica Hekking, uitgave Stroom Den Haag 2005.

 
 

om het ongezochte te vinden

Wat drijft de ontdekkingsreiziger, die zonder nauwkeurig omschreven doel het ruime sop kiest? Welke wetenschappelijke onderzoeker ziet af van het stellen van een hypothese in zijn queeste naar kennis? En welke kunstenaar schept beelden zonder de eindresultaten reeds als glimp gekoesterd te hebben in de verbeelding?
Karola Pezarro tracht vooronderstellingen zoveel mogelijk te mijden en koestert de zinnen uit een gedicht van Roberto Juarroz. “Om iets te vinden, moet je zoeken wat het niet is”. Dus doorkruist ze de stad op zoek naar beelden en legt ze de beweeglijke patronen van licht en schaduw vast. Bestudeert ze de vormen, waarin groei, voortbestaan en afsterven zich manifesteren. En niet in de laatste plaats de vervlochten structuren van het denken en gevoel zelf. Dit beeldenarsenaal vormt de rijke ertsader, waaruit Pezarro de beeldtaal delft, die haar reis door het leven kan visualiseren.

Beelden, die in onderlinge kruisbestuiving en onder invloed van het combinerende en associërende ingrijpen van Pezarro gemeenschappelijkheden lijken te openbaren. De ijle contouren van een overkoepelende structuur, die zowel de innerlijke belevingswereld van de waarnemer als de waargenomen wereld omvat. Zodat de innerlijke plattegrond van het persoonlijke samenvalt met die van de geobjectiveerde werkelijkheid. Dit alles niet geheel zonder het optreden van fricties. Maar Pezarro geeft ook deze gegevenheden een plaats bij de realisering van het beeld. Perfectie is immers geestdodend. De systemen moeten schuren, opdat de waarnemer scherp blijft. Een wandeling door het hart van de stad wordt aldus niet enkel een verplaatsing in de ruimte. Maar tevens een verplaatsing in de tijd, het geheugen en de verbeelding. Een ultieme poging om de wereld te omhelzen zonder verlies van persoonlijkheid. Om zo de kennis te verwerven, die zich niet op de gebaande weg, maar verscholen in een zijsteegje blijkt te bevinden.

De beelden van Pezarro, ongeacht het materiaal waarin ze zijn uitgevoerd, ogen als driedimensionale tekeningen. Het is de lijn, die de ruimte afbakent en de vorm definieert. Doordat veel beelden een afschermende huid ontberen, ogen ze fragiel, transparant en naakt. Ze geven heel bewust de informatie over hun constructie prijs. Want juist die informatie maakt het de toeschouwer mogelijk de verbeelde fenomenen al associërend te vergelijken. Het stratenplan op de plattegrond, waarin een voortschrijdende dame of een opgerolde foetus schuilgaat, koppelt zich raadselachtig maar betekenisvol aan het draadskelet van een kikker. De schijnbare gewichtloosheid van de diepzeevissen vindt haar tegenpool in de buisvormige constructies van koralen op de vloer. Waar de structuren in elkaar grijpen vervlecht de hemel zich met de aarde.

Als gestaag groeiende verzameling vormen de beelden een inventarisatie van ijle, elkaar doordringende structuren. Die in hun gemeenschappelijkheid de architectuur van het leven zelf lijken te vormen. Een steeds wederkerend patroon van gestapelde elementen, afsplitsende takken, uitwaaierende en zich samenvoegende kluwens van kabels, draden en lijnen. Een complex systeem, dat niet op voorhand gekend kan worden en een alerte en onbevoordeelde grondhouding van de waarnemer vraagt. Want niet enkel een ongeluk zit in het kleine hoekje, maar ook het gelukkige toeval. En het toeval deelt de ruimte met de snelle vonk van het begrip en de mogelijke onthulling van een verborgen geheim. Het oeuvre van Pezarro maakt de toeschouwer tot een reisgenoot door onbekende verinnerlijkte werelden. Om met de woorden van de dichter Juarroz te eindigen. “Men komt altijd aan, maar altijd elders”.

Uit: Beeldsupplement 32 bij het tijdschrift Beelden 2006-1, tekst door Antonie den Ridder.